Home > Artikelen > Pixels vs. Vectoren – Hoe zit dat nou precies?
Vormgeving  |  6 minuten lezen

Pixels vs. Vectoren

Hoe zit dat nou precies?

Je wilt een groot spandoek of billboard laten drukken met je logo of een beeldvullende foto? Dat moet er dan natuurlijk nog wel net zo scherp uitzien als in het kleine formaat op je scherm. Dat is niet zomaar een kwestie van even het bestand opblazen en klaar! Als je dat namelijk doet, bestaat er een grote kans dat je alle scherpte in je afbeelding verliest en komt je prachtige spandoek of poster er heel grofpixelig uit te zien. En dat is niet de kwaliteit die je wilt. In plaats van pixelbeelden is het beter een vectorbestand te gebruiken of te letten op de resolutie van je foto. Onze effectmaker Ronald legt het uit…

Ronald van Spanjen | Grafisch Vormgever | E-mail Ronald

Op de hoogte blijven?Schrijf je in voor onze digitale nieuwsbrief

Zoekresultaat

Twee soorten bestanden

Technisch gezien heb je in de grafische wereld voor afbeeldingen, foto’s en illustraties grofweg te maken met twee soorten bestanden: pixel- en vectorafbeeldingen.

  1. Pixelafbeeldingen

    Bij pixelafbeeldingen gaat het o.a. om jpg-, png-, tiff- en psd-bestanden. Het kan bijvoorbeeld gaan om logo’s, illustraties, grafieken of foto’s.

    Deze zijn opgebouwd uit allemaal kleine, vierkante blokjes (pixels) met elk een eigen kleur. Naarmate je inzoomt op je afbeelding worden deze stuk voor stuk groter en steeds zichtbaarder. Daarom is bij dit soort bestanden de ‘resolutie’ van groot belang.
    De resolutie wordt aangegeven in PPI (‘pixels per inch’), maar ook wordt vaak DPI gebruikt om de resolutie aan te geven (‘dots per inch’). Dit is het het aantal pixels dat per 2,54 cm (= 1 inch) heeft in de hoogte en de breedte. Hoe meer pixels per inch, hoe fijner het beeld en hoe hoger de resolutie is. (En hoe groter het bestand wordt!)

    Aan de resolutie voor een beeldscherm (lage resolutie volstaat) worden andere eisen gesteld dan aan de resolutie voor drukwerk (hoge resolutie is nodig).
    • Grove pixels = lage resolutie bijvoorbeeld 72 dpi, alleen geschikt voor beeldscherm- en online gebruik.
    • Fijne pixels = hoge resolutie, bijvoorbeeld 300 dpi, geschikt voor drukwerk

    Als je een afbeelding met lage resolutie opblaast naar een groot formaat worden de afzonderlijke pixels zichtbaar en wordt je afbeelding dus ‘pixelig’. Een pixelbestand van kleiner dan 1 Mb (bijv. een foto) is dan ook vaak niet geschikt om te gebruiken op heel groot formaat.

  2. Vectorafbeeldingen

    Bij vectorafbeeldingen heb je het o.a. over eps-, ai,- en svg-bestanden. Ook dit kunnen logo’s, illustraties, grafieken zijn, maar nooit foto’s (dat zijn nl. altijd pixelbestanden).

    Bij vectorafbeeldingen zijn de vormen en/of letters opgebouwd uit een aantal vaste punten met (omtrek)lijnen daartussen. Deze ‘paden’ zijn rechte of kromme lijnstukken die zijn gedefinieerd op basis van wiskundige vectorgetallen. De lijnen en vlakken die daardoor ontstaan, hebben een bepaalde dikte en/of vulling van een bepaalde kleur, of soms meerdere. Dit zorgt voor strakke vormen en lijnen.

    Door deze opbouw speelt de resolutie bij vectorafbeeldingen geen rol. Bij het vergroten of verkleinen van dit type afbeelding worden de punten en paden evenredig meegeschaald en blijven de vormen en lijnen hun strakheid en scherpte behouden. Er treedt geen kwaliteitsverlies op. Dat maakt dat ze beter geschikt zijn om te gebruiken in met name grote uitingen. Maar ook voor gebruik op klein formaat is het altijd beter om een vectorafbeelding te gebruiken dan een pixelafbeelding. En daarom krijgen wij ook liever vectorbestanden aangeleverd om mee te werken, dan pixelbestanden!

Waar moet ik dan op letten?

Bij het aanleveren van bestanden kun je sowieso kijken naar de bestandsextensie. Jpg-, png-, tiff- en psd-bestanden zijn pixelafbeeldingen en kun je dus niet oneindig vergroten. Daarbij is het ook goed om te letten op de resolutie. Voor online uitingen is een lage resolutie (grove pixels), oftewel 72 dpi vaak prima. Voor drukwerk gebruik je toch echt liever een hogeresolutieafbeelding (fijne pixels) van 300 dpi of hoger. Oké, met digitaal drukwerk op klein formaat kunnen we soms nog een beetje sjoemelen maar boven de 150 dpi is eigenlijk wel een must. De grootte van een pixelbestand is ook een indicatie: foto’s moeten minstens 3 à 4 Mb zijn voor gebruik in klein drukwerk; en van een logo van 40 k moet je niet veel verwachten…
Vectorbestanden hebben vaak een eps-, ai- of svg-extensie. Als je dat ziet, kun je meestal de afbeelding heel makkelijk schalen. Lever logo’s en illustraties dus liefst als een vectorbestand aan. Dat geeft ons meer mogelijkheden en dan weet jij zeker dat jij altijd een scherp resultaat krijgt!

Addertje onder het gras

Maar let op: soms lijkt het erop dat iets een vectorbestand is omdat het de juiste extensie (EPS, AI, SVG) heeft; toch kan het dan zo zijn dat dit stiekem een pixelbestand is. Dat komt omdat er dan een pixelafbeelding is geplaatst in een bestand dat vervolgens is opgeslagen met een vectorextensie, bijvoorbeeld eps. Maar helaas, daarmee wordt het niet spontaan een vectorafbeelding. Het blijft een niet-schaalbare pixelafbeelding en is dan doorgaans niet goed bruikbaar.

Check, check, dubbelcheck

Je kunt zelf best goed testen of je te maken hebt met een pixel- of vectorafbeelding. Zoom er eens flink op in. Wat gebeurt er? Blijft het plaatje net zo scherp? Dan is het waarschijnlijk een vectorafbeelding. Wordt het pixelig en onscherp, dan heb je te maken met een pixelafbeelding.